Goedgezind — Zen, milkshake en ergernis in India
Goedgezind — Zen en ergernis
Drs. Hans R.J. Sluijter
Voorzitter Updaid
hans@updaid.nl
Op dit moment ben ik in een trance. Ik ben in mezelf gekeerd. Ik ben van mij. Niet van straatventers of charlatans, maar onaanraakbaar. Het werd hoogtijd om mijn aura wat te herstellen en weerbaarder te maken. Daar lijkt geen betere plaats voor te zijn dan hier in de Zen-tempel waar vogeltjes op tafeltjes gevoed worden terwijl men het heilige schrift leest. Er zijn wat mannen maar voornamelijk vrouwen. Wanneer ik even niet in de lotushouding zit, word ik daar op gewezen. Stuntelig vouw ik mijn benen maar weer over elkaar. Mijn lenigheid is niet meer wat het geweest is en mijn botten doen pijn op de harde vloer. Het geflierefluit om mij heen brengt mij gelukkig al gauw weer in alle rust. Een vrouw legt geduldig rijstkorrels in de vorm van swastika’s. Maar de vogels naderen haar tot op de millimeter en maken er vervolgens een warboel van. Na enige tijd besluit ik in de tuin te gaan wandelen. Allerlei vogels vliegen om mij heen, waaronder papegaaien. Ik geniet van de geur van jasmijn. Wanneer ik diep door mijn neus adem ruik ik waarachtig honing. Alles is vredig en rustig, als in de tuin van Adam en Eva. De dimensie ‘tijd’ is hier dood. Lust en vertier is een misdaad. Het donker van binnenin mezelf spreekt. Het ultieme genot van niks en niemand. De kracht van eenzaamheid en eenvoud is voelbaar. De pure filosofie. Rust. Uiterste stilte. Om mij heen. En in mij. Het donker achter mijn oogleden wordt lichter. Ik voel. En dat in een ruimte en sfeer van zintuiglijk luchtledige. Op dit moment moet deze inkt op dit papier een Sergio Leone-close up met Ennio Morricone-muziek maar ondersteunen want een poging om dit ene moment verder te beschrijven is zo moeilijk dat ik bang ben dat het zal stranden in soap van Aaron Spelling met muziek van een blaaskapel uit een Milkareclame. Nadat ik drie uur met mijn handpalmen achter mijn rug over elkaar heb geschoven, maak ik een stevige looppas naar de uitgang. Ik ben weer helemaal opgeladen en goedgezind.
Ik ga vaker naar de Zen-tempel en na de dag van gisteren ben ik toe aan een stevig sessie. Het incident met de milkshake en de receptioniste heeft gisteren energie gekost. Ik begrijp de mensen hier niet. Laat ik de dag van gisteren even beschrijven. ’s Ochtends bestel ik een bananenmilkshake bij mijn ontbijtje. Het ontbijt is altijd toast, meestal met jam, alhoewel… het is meer gelatine met kauwgomballensmaak. De droge kost is zo verorberd, maar de milkshake laat lang op zich wachten. Na een half uur wachten lijkt het me niet onbeleefd om voorzichtig eens navraag hierover te doen.
‘The chocolade is coming, sahib’, wordt mij verteld.
Zachtjes wijs ik hem terecht. Ik wil geen chocolade maar een bananenmilkshake en het liefst binnen een christelijke tijd.
‘No problem, Sir’, wordt beweerd.
Vol vertrouwen ga ik maar weer zitten, maar na drie kwartier heb ik nog steeds niets. Ik loop naar de keuken en kom ergens halverwege de ober tegen. De wanhoop nabij smeek ik om mijn bananenmilkshake. Zijn lichaamstaal verraadt een nederige houding wat mij voor de zoveelste keer vertrouwen geeft in een snelle aflevering van mijn milkshake. Een nobele gedachte, maar net zo gauw weer geschonden. Na vijftien minuten aandringen wordt mij dan eindelijk een milkshake aangereikt: van chocolade! Niet zonder enige emotie creëer ik een scène. Iedereen rent op en neer en bakkeleit erover. Na twintig minuten van chaotisch management wordt er begonnen aan mijn milkshake, waar nog eens tien minuten over wordt gedaan. Een bananenmilkshake van negentig minuten: begin de dag met een lach.
Na mijn ontbijt kom ik verlaat aan op mijn werk. Als eerste groet ik de receptioniste. De receptioniste heeft de titel Dr. voor haar naam. Het is goed dat ik haar als eerste zie want ik heb een telefoonboek nodig. Na een poosje zoeken beweert ze dat ze er geen heeft. Ik vervolg mijn werkzaamheden en na twee uur overhandigt ze me trots toch een telefoonboek. Het is vier jaar oud en alle bladen liggen los en door elkaar. Ik vind niet het telefoonnummer dat ik dringend nodig heb en als ik weer voor haar bureau sta met de vraag of ze me kan helpen zegt ze, alsof ze het druk heeft: ‘Een momentje”.
Ze pakt de telefoon en ik laat me beetnemen. Ze belt namelijk niet voor mij. Ik vermoed dat ze een familielid of bekende belt maar ik spreek geen Hindi. Na een gesprek van twintig minuten, waarbij ik netjes bij haar bureau heb gewacht, vraag ik haar nogmaals om assistentie.
‘Een momentje’, zegt ze weer en ze loopt weg.
Een uur later komt ze terug met haar maag gevuld. Tsja, het was lunchtijd. Nogmaals bedel ik haar om een dienstverlening en ze wordt warrig. Ze kijkt zuur en zegt dat ze dit allemaal niet aankan.
‘Het is te veel voor me’, pleit ze, ‘ik heb hoofdpijn’.
Voorzichtig probeer ik haar ernstig te nemen en vraag of ze mij wil begeleiden terwijl ik het telefoonnummer zoek. Ze glimlacht en kijkt opgewekt.
‘Oké’, zeg ik, ‘waar moet ik starten?’.
‘Met het recent telefoonboek in plaats van die oude, waar anders?’
Ze zoekt in een lade, graaft diep en legt een volledig intact en ‘up to date’ telefoonboek op tafel. Op dit moment moet ik me inhouden. Van binnen schreeuw ik om hulp van mijn innerlijke begrip terwijl ik lichtjes op mijn lippen bijt. Ik wacht een aantal seconden en zoek naar rust. Na deze stilte pak ik het telefoonboek geduldig en beheerst op en zoek ik het telefoonnummer op. Ik vraag haar of ze het op kan bellen om in Hindi te vragen naar hun adres. Ze reageert bevestigend en ik heb goede moed. Voor een half uur werk ik aan de andere kant van het gebouw tevreden aan mijn bureau om erna het adres in ontvangst te gaan nemen. Haar bureau is leeg. Wat nu? Gelukkig komt net haar trouwste collega voorbij en dus vraag ik naar haar verblijf.
‘Ze is ziek en is naar huis gegaan’, zegt ze rustig.
“AAAAHHHH!!”, ik word gek.
Met mijn hoofd in mijn handen steunend zak ik op de stoel van de receptioniste. Ik moet even bijkomen. Ik ben zo met mezelf bezig dat ik geen geluid meer om me heen waarneem van de rinkelende telefoons en de pratende mensen. Iemand moest me derhalve ‘wakker’ stoten. Verschrikt kijk ik op. Het is de postbode met een aantal pakketjes. Spottend vertel ik dat ik de plaatsvervanger ben van de receptioniste en ik teken voor ontvangst. Echter de man kan de pakketjes niet overhandigen zonder een stempel van ons kantoor. Ik zoek in alle laden en natuurlijk vind ik er geen. De moed voor de zoektocht geef ik dan ook snel op. Ik pak een pen en trek vol gif en wraakgevoelens een grote cirkel half over mijn handtekening. In de cirkel schrijf ik duidelijk leesbaar ‘STAMP’. De postbode bekijkt het formulier en reageert nuchter en schouderophalend: ‘Mmm, dat moet voldoende zijn’ en verlaat het kantoor. Soms begrijp ik niks van India.
Als ik de Zen-tempel verlaat liggen de irritaties van gisteren ver achter mij. Ik heb binnen in mij een knop gevonden met het woord ‘RESET’ en ervaringen van de milkshake en de receptioniste verwijderd. Buiten de poort word ik meteen opgewacht door riksjachauffeurs, maar de belagers doen mij niets. Mijn aura is een pantser dat als een mantel om mij heen zit. Nadat ik ongeveer vijftig meter gelopen heb wijst een schoenpoetser naar mijn schoenen. Verdikkeme, stront. Bovenop mijn wreef. Een erg vreemde plek.
‘How did this happen?’, reageer ik een beetje boos.
‘I do not know, Sir’, klinkt het verontschuldigd.
‘You did it or one of your henchmen, isn’t?’
‘No Sir. Of course not.’
Vandaag ben ik goedgezind. Een moslimgezegde zegt: Trust in Allah, but tie your camel. Die wijsheid sterkt mij. Laat ik de discussie maar mijden. Natuurlijk is hij schuldig, maar wat heeft die discussie voor een zin. De schuldvraag moet je in India niet stellen. Ik laat hem vervolgens mijn schoenen poetsen. Hij vraagt vijf euro, een fortuin in schoenenpoetsersland. Na veel bombarie geef ik hem een dagloon van één euro.
Na twee minuten lopen beland ik bij het postkantoor. Er staan tientallen rijen voor verschillende balies. Achter een van de rijen sluit ik mij aan. Na een kwartier wachten ben ik halverwege de rij. Een dikke man komt binnenstormen en gaat voor in de rij staan zodat hij als eerst aan de beurt is. Natuurlijk is hij van een hoge kaste en zegt niemand wat. Voor mij is er reden genoeg om tien minuten stampei te maken. Maar ik ben vandaag door Zen goedgezind en ik houd het kort. Na nog een kwartier ben ik dan eindelijk aan de beurt. Ik geef mijn brief met bestemming Nijmegen af aan de balie.
‘Nice city, Sir?’
‘Yes, nice city.’
Ik schuif een briefje van honderd rupia’s over de toonbank. Hij bekijkt het vette vodje aandachtig. Het is helemaal doordrenkt van vette handen en smerigheid. En er zit een gat in. Geld wordt in India bij elkaar gehouden door het aan elkaar te nieten. Maar wanneer je de biljetten losmaakt komt er wel een gat in.
‘Sorry, Sir. Not good’, en hij geeft mij het honderdje terug.
‘Why not?’
‘It is damaged.’
‘Yes, that’s because you guys staple it together. Every bill in India is damaged.’
‘Sorry Sir.’
‘But the man before me also had a damaged bill. Much worse than this one.’
‘I can not help you, Sir.’
Na tien minuten heibel met de chef gemaakt te hebben krijg ik een tip om hier buiten op de hoek van de straat een travel cheque te wisselen. Ik heb geen alternatieven omdat de brief vandaag de deur uit moet en ik geen ander geld bij me heb. Gelukkig, als ik even aan de vogels van vanochtend denk, siert een glimlach mijn gezicht. De transferkosten op de hoek zijn veel te hoog en ik besluit om op zoek te gaan naar een ander wisselkantoor. De chef van het postkantoor zal zo zijn commissie wel mislopen want om welke andere reden deden ze anders zo moeilijk bij mij? Na drie kwartier lopen tref ik een beter wisselkantoor en sluit ik me daar aan bij een rij van wederom een half uur, deze keer bestaande uit toeristen. Tijdens het wachten richt ik mij op mijn innerlijke rust en waan ik mij terug tussen de rijstkorrels in swastikavorm. Eenmaal terug op het postkantoor zie ik weer lange wachtrijen. Ik sluit bij dezelfde balie aan en er kruipt weer iemand voor. Deze keer houd ik mijn mond. Ik word steeds onrustiger. Eindelijk ben ik aan de beurt.
‘Sorry, Sir. You have the wrong counter. Foreign countries is the counter in the back.’
Ik kijk naar de laatste rij waar ik naar verwezen wordt. Natuurlijk zie ik weer een lange rij. Op dit moment ben ik pisnijdig.
‘Why didn’t you tell me before? Why?’
Hij is notabene dezelfde ambtenaar als daarstraks.
‘You didn’t ask me, Sir.’
Ik bijt op mijn lippen. Mijn gedachte spreekt alleen voor mij: ‘Godverdomme. Ben jij nou het snelste zaadje geweest?’
Ik word steeds minder goedgezind. Natuurlijk sta ik weer een half uur in de rij en bemachtig uiteindelijk, na drie en een half uur, een postzegel.
In het hotel kom ik gelukkig weer geheel tot rust. Ik richt mij op mijn ervaringen van deze ochtend. Mijn goedgezindheid heb ik snel hervonden. Fris gedoucht en met een big smile nestel ik mij in een luie bank op het dakterras. Het is al donker en de lichtjes en kaarsjes maken het oergezellig. Ik zit zo van de rust te genieten dat ik in eerste instantie niet in de gaten heb dat de ober naast me staat.
‘A banana shake, Sir?’
Doordringend kijk ik hem aan. Van binnen word ik steeds kwader. Langzaamaan begin ik te koken terwijl ik hem levenloos aan blijf kijken. Op dat moment barst ik uit:
‘NOOOOOOOOOO. Zout op met je bannenmilkshake’, vervolg ik in het Nederlands.
Natuurlijk snapt hij er niks van. Niks van mijn woorden en niks van mijn gedrag. Ik sla helemaal door, loop kwaad het dakterras af en loop naar buiten om af te koelen. Elk oogcontact wordt door mij beantwoord met dreigende blikken. Wie nu een woord zegt is de mijne. Iedereen lijkt het te begrijpen en laat me waarachtig met rust. Zelfs de schoenpoetser rept in eerste instantie geen woord. Hij wijst alleen naar mijn schoen. Weer stront.
‘Shall I clean it?’
‘No’, snauw ik, ‘I want it there as it is. It is decoration, can’t you see it.’
Die nacht slaap ik niet en sluit ik mezelf voor de komende tien uur op om een moord te voorkomen. De volgende ochtend veeg ik de uitgeharde stront zelf maar van mijn schoen. In één dag is alles wat Zen heeft hersteld weer kapot gemaakt. Nooit meer Zen. Het gat tussen beide extremen is me te groot.
Twee dagen later krijg ik uiteindelijk het adres van de receptioniste.
Meer lezen van Hans Sluijter:
- Hoge ambtenaren laten docenten in Tanzania hun kinderen lynchen
- Systeemdenken in kwadranten
- Onderzoek jongeren over statistiek ontwikkelingslanden
- Salarissen directeuren goede doelen (part 2)
- Salarissen directeuren goede doelen (part 1)
- Mijn pendulum met Prof. Dr. Gerrit Huizer
- Ontwikkelingsorganisaties leveren geen bewijzen
- Abraça-me (Omhels me dan); Ter nagedachtenis aan Eef
- Nostalgie anno 1984: voedseltransport naar Polen
- Kinderarbeid in de koekjesfabriek (PR-shoppen met Kidsrights)
- ‘Canned hunt’, kat in het bakkie
- De geheime roze formulieren van Minbuza
- Circulatiesnelheid; een nieuwe stelling voor ontwikkelingseconomie
- De verwoesting van het regenwoud of het koraalrif?
- De Agendatheorie
- De Mangoboom
- Westen rooft ontwikkelingslanden leeg van zijn goud
- Nelson Mandela en Thabo Mbeki beticht van genocide
- Geboortebeperking in Nederland?
- Verslag fraude NOVIB en SACCS
Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen
Meer lezenFake rescues en PR-shopping door BBA, Global March en SACCS
Kritiek op BBA, SACCS en PR-shopping met Kidsrights NL-Aid reported about BBA and their fake rescues …
Economische crisis veroorzaakt massale toename van armoede en werkloosheid
Economische crisis leidt tot massale toename armoede en werkloosheid Onlangs paste de Wereldbank de …
Beleggen in Afrika: potentie en risico&/media-internet-ict/1-tegen-armoede-de-rest-mag-je-houden/39;s
Beleggen in Afrika: veel potentie, veel risico Plotseling komen ze van alle kanten aanzetten: de …